Food Valley Society
Get connected with the members of Food Valley NL

Noodmaatregelen om GMO’s te beperken of verbieden alleen mogelijk bij bewijs voor gevaar

Nysingh update: Noodmaatregelen om GMO’s te beperken Published: 25-01-2018

In een recent arrest (C-111/16) heeft het Hof van Justitie (Hof) zich uitgelaten over de toelaatbaarheid van noodmaatregelen van de overheid om het telen van genetisch gemodificeerd organismen (GMO’s) te beperken of te verbieden. Daarbij heeft het Hof onder meer geoordeeld dat de overheid zich niet mag baseren op het voorzorgsbeginsel, maar dat aan een beperking of verbod wetenschappelijke gegevens ten grondslag moeten liggen. Het EU-recht kan daarmee in de weg staan aan maatregelen die de overheid wil nemen ten koste van bedrijven. Anders gezegd, het EU-recht kan bedrijven dus ook van nut zijn.

Achtergrond

In 1998 gaf de Commissie bij beschikking toestemming voor het in de handel brengen van het genetisch gemodificeerde maisras MON 810. In 2013 verzocht Italië de Commissie om op grond van de Algemene Levensmiddelen Verordening (ALV) noodmaatregelen te nemen om de teelt van die mais te verbieden. Ter ondersteuning van haar verzoek wees Italië op wetenschappelijke onderzoeken van twee Italiaanse onderzoeksinstituten.

De Commissie liet Italië vervolgens in mei 2013 weten dat zij, na een voorlopige beoordeling, van mening was dat niet vaststond dat sprake was van de nodige spoedeisendheid om krachtens de ALV maatregelen te treffen. De Commissie liet desalniettemin de EFSA nader onderzoek verrichten. In september 2013 bracht de EFSA advies uit waarin stond dat in de wetenschappelijke onderzoeken die Italië had overgelegd geen nieuw wetenschappelijk bewijs was gevonden dat de gevraagde noodmaatregelen onderbouwde. Twee maanden daarvoor had Italië echter al een besluit genomen met noodmaatregelen waarin de teelt van MON 810 verboden werd.

In Italië werden de heren Fidenato en Taboga strafrechtelijk vervolgd omdat zij toch MON 810 hadden geteeld. In het kader van deze strafrechtelijke procedure stelde de Italiaanse rechter vier prejudiciële vragen aan het Hof:

  1. Moet de Commissie op grond van artikel 54, lid 1, van de ALV noodmaatregelen nemen als zij daartoe een verzoek ontvangt van een lidstaat, ook al vindt zij dat voor bepaalde levensmiddelen en diervoeders geen ernstig en kennelijk risico is voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu?
  2. Mag een lidstaat die op grond van artikel 34 van Verordening 1829/2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders, om maatregelen verzoekt voorlopige maatregelen treffen ook als de Commissie vindt dat er geen maatregelen genomen hoeven te worden?
  3. Mag een lidstaat op grond van het voorzorgsbeginsel voorlopige noodmaatregelen nemen in de zin van artikel 34 van Verordening 1829/2003?
  4. Mag een lidstaat zijn voorlopige noodmaatregelen in stand laten of de geldingsduur ervan verlengen, nadat de voorlopige periode waarvoor zij werden genomen, is verstreken, als de Commissie duidelijk en kennelijk tot het oordeel is gekomen dat aan de grondvoorwaarden om noodmaatregelen voor een levensmiddel of een diervoeder te treffen niet is voldaan, wat vervolgens door wetenschappelijke adviezen van de EFSA wordt bevestigd?

 

Commissie niet verplicht om noodmaatregelen te nemen

Het Hof wijst erop dat beide verordeningen in het bijzonder tot doel hebben, met betrekking tot levensmiddelen, een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en de belangen van consument te verzekeren, waarbij de goede werking van de interne markt wordt gewaarborgd. Op basis van artikel 34 van Verordening 1829/2003 kunnen desalniettemin noodmaatregelen worden genomen om de teelt van genetisch gemodificeerde organismen te verbieden of te beperken als er waarschijnlijk een ernstig risico is voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Daarbij moet de procedure van de artikelen 53 en 54 van de ALV gevolgd worden.

Artikel 53 van de ALV betreft de spoedmaatregelen die door de Commissie kunnen worden vastgesteld, en artikel 54 van de ALV betreft de vaststelling van dergelijke maatregelen door de lidstaten. Hieruit leidt het Hof af dat als niet vaststaat dat er een ernstig risico is voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, de Commissie niet verplicht is om noodmaatregelen te treffen.

Lidstaat mag maatregelen nemen zolang Commissie geen besluit neemt

Als de Commissie op verzoek van een lidstaat geen noodmaatregelen treft, mag de lidstaat op basis van genoemde verordeningen zelf noodmaatregelen treffen, aldus het Hof. Die maatregelen mag de lidstaat handhaven of verlengen zolang de Commissie geen besluit tot verlenging, wijziging of intrekking daarvan heeft genomen overeenkomstig artikel 54, lid 2, van de ALV. Dit is kort gezegd het antwoord van het Hof op de tweede en vierde vraag.

Voorzorgsbeginsel niet voldoende om maatregelen te nemen

Dan rest de vraag of een lidstaat op basis van het voorzorgsbeginsel noodmaatregelen mag nemen in de zin van artikel 34 van Verordening 1829/2003, zonder dat sprake is van een ernstig risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Het Hof geeft aan dat in de ALV het voorzorgsbeginsel is gedefinieerd: “In specifieke situaties waarin na beoordeling van de beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, kunnen, in afwachting van nadere wetenschappelijke gegevens ten behoeve van een vollediger risicobeoordeling, voorlopige maatregelen voor risicomanagement worden vastgesteld om het in de Gemeenschap gekozen hoge niveau van gezondheidsbescherming te waarborgen.”

Hoewel dit beginsel volgens het Hof een algemeen beginsel van levensmiddelenwetgeving betreft, wordt vastgesteld dat in artikel 34 van Verordening 1829/2003 een specifieke regeling is opgenomen voor het nemen van noodmaatregelen. Zoals hiervoor is vermeld staat in dat artikel dat noodmaatregelen worden genomen om de teelt van genetisch gemodificeerde organismen te verbieden of te beperken als er waarschijnlijk een ernstig risico is voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu. Het voorzorgsbeginsel kan deze voorwaarden niet opzij zetten, wijzigen of versoepelen.

Het verschil tussen het voorzorgsbeginsel en artikel 34 zit in het volgende:

  • Bij toepassing van artikel 34 moeten de woorden “waarschijnlijk” en “ernstig risico” zo worden opgevat dat sprake is van een aanzienlijk risico voor de gezondheid of het milieu. Dat risico moet worden vastgesteld op basis van nieuwe elementen die berusten op wetenschappelijke gegevens. Die risicobeoordeling moet zo volledig mogelijk zijn.
  • Bij toepassing van het voorzorgsbeginsel kunnen voorlopige maatregelen genomen worden als na beoordeling van beschikbare informatie de mogelijkheid voor schadelijke gevolgen voor de gezondheid geconstateerd wordt, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid is.

EU-recht

Noodmaatregelen voor producten die volgens Verordening 1829/2003 mogen worden geproduceerd, mogen dus op grond van artikel 34 niet genomen worden op basis van het voorzorgsbeginsel. De overheid moet met wetenschappelijk bewijs onderbouwen dat noodmaatregelen gerechtvaardigd zijn. Het Hof legt in dit arrest op een heldere wijze de verschillen tussen de van toepassing zijnde levensmiddelenregelgeving uit. Zo blijkt maar weer dat bij het bepalen of een bepaalde maatregel wel of niet is toegestaan de bewoordingen, doel, samenhang etc. van belang is, en dat daarmee bedrijven het EU-recht kunnen aanwenden voor hun eigen gelijk.

Meer informatie

Voor meer informatie over dit onderwerp of andere vragen op het gebied van food kunt u contact opnemen met Ekram Belhadj, E: ekram.belhadj@nysingh.nl | T: 038 425 92 07 | M: 06 53 98 53 75 of Cees Dekker, E: cees.dekker@nysingh.nl | T: 038 425 92 07 | M: 06  10 01 75 80. Zij zijn gespecialiseerd in EU Food Law en maken deel uit van de Marktgroep Food & Agri van Nysingh.